Caeciliënmesse – Gounod

 

De Caeciliënmesse – Charies Gounod (1818-1893)

In 1850 begon Gounod met het componeren van de Caeciliënmesse, die hij pas na vijf jaar voltooide. De invloed van gewijde muziek was zo sterk dat Gounod een tijdlang overwoog priester te worden.

De vijf jaren waarin hij aan de mis werkte werden gekenmerkt door belangrijke gebeurtenissen in Gounod’s persoonlijke en artistieke ontwikkeling. Door zijn kennismaking met de fascinerende Pauline Viardot en de muziek van Hector Berlioz, verkreeg de componist een grotere geraffineerdheid die zich muzikaal manifesteerde in de opera Faust (1859). Dit verklaart de alleszins wereldlijke melodieuze en kleurrijke orkestrale bewerking van zijn Caeciliënmesse.

Ondanks zijn wereldlijke opvattingen bleef Gounod liturgische muziek componeren. De Caeciliënmesse speelde een centrale rol in de ontwikkeling van Gounod naar secularisatie.

Het Kyrië van Gounod’s Messe Solennelle tere ere van St.Cecilia bevat een rustig moderato quasi andantino. Dank wordt van God afgesmeekt in ongekunstelde tonen en deemoedige muzikale gebaren.

Het Gloria, een larghetto, vloeit over van voorzichtige vreugde, gejubel breekt alleen uit in het “Laudamus te” (allegro pomposo).

Het meditatieve “Miserere” (andante) wordt gevolgd door het “Quonium tu solus” als een afsluitend allegro.

Het Credo (moderato molto maestoso) is het centrale gedeelte van de mis, zowel in ligging als in belangrijkheid. Zijn veelzeggende rangschikking van het krachtige geloof in de grootheid van God naar het fluisterende geheim van Christus’ menswording (Et incarnatus est”, adagio) en de driemaal herhaalde kreet van het Lijden naar de bijna dromerige harptonen die begeleiden naar het eeuwig leven (“Et vitam venturi saeculi”).

Het Sanctus (andante) met zijn tenorsolo, voor een Benedictus (adagio) dat nederig begint en uitgroeit naar een krachtig “Hosanno in excelsis”.

Het Agnus Dei (andante moderato) is een liturgische bijzonderheid: de tenorsolo zingt de Communiewoorden: “0, Heer, ik ben niet waard dat Gij tot mij komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden” (Domine, non sum dignus…”). Hier bevestigt Gounod opnieuw zijn diepzinnige geloof, dat een vergaande invloed heeft gehad op zijn hele leven.

Reacties gesloten